arrow_drop_up arrow_drop_down
Welke leer kunnen we als maakindustrie trekken uit de Corona-crisis?
2 september 2020 

Welke leer kunnen we als maakindustrie trekken uit de Corona-crisis?

Het Corona-virus slaat hard toe in Nederland en legt inmiddels een enorme druk op onze samenleving en maatschappij. Op ons als mens, maar ook zeker als ondernemer. Het virus heeft een impact waardoor eerdere vooruitzichten en groeiramingen voor 2020 niet zullen uitkomen en daarmee is het alle hens aan dek. Er wordt in deze bizarre tijd veel van eenieder gevraagd. Hoe richten we ons in op een onzekere toekomst? Waar liggen nieuwe kansen en wat zijn gaandeweg bedreigingen geworden? Vragen die de revue passeren. We zoeken in tijden van crisis naar antwoorden die ons verder kunnen helpen: ‘Wat als..’. Wat als we niet in dermate afhankelijk waren van de factor arbeid? Wat als we onze export beperkt hadden? Wat als we geen halffabricaten uit China nodig hadden? Wat als onze bedrijfskolom niet zo versnipperd was geraakt? Gewetensvragen, die ons ’s nachts wakker houden. Dat neemt niet weg dat er ongetwijfeld, kleine of grote, economische schade zal zijn: net zoals die er was in 2009 of na de handelsoorlog. Ook toen hebben we een kritische blik geworpen op onze ketens en de inrichting van het economische verkeer. Maar wat hebben we juist nú in de afgelopen weken en maanden zien gebeuren? Welke ervaringen nemen we mee uit het verleden die ons helpen na déze crisis, zodat we ons dusdanig kunnen inrichten voor de toekomst.

Afhankelijkheid door internationale ketens speelt een grote rol

Het lijkt wel duidelijk dat het beheersen van het virus nog enkele maanden kan gaan duren. Ook binnen de maakindustrie is het niet reëel te verwachten dat er meteen op volle toeren gedraaid kan worden. Zodra de productie volledig kan worden hervat, hangt een inhaalslag af van het herstel van het consumentenvertrouwen en een snelle opstart van internationale ketens. Dat zegt ING. De industrie en supply chain zijn namelijk sterk geïnternationaliseerd en hebben in de eerste plaats last van gevolgschade door vertraging in de toelevering van grondstoffen en halffabricaten. Dit verstoort direct de productie omdat veel bedrijven in de maakindustrie werken met ‘just-in-time-delivery’ en beperkte voorraden hebben.

Wat leert ons dat?

‘De korte ketenaanpak’ van Samuel Levie

Foodondernemer Samuel Levie pleitte in de talkshow Jinek voor een korte keten, waarbij regionale boeren, logistieke partners, voedselverwerkers en horeca met elkaar samenwerken. Waarbij de leveringszekerheid gewaarborgd wordt, rechtstreekse invloed en minder risico voor de verschillende partijen, boeren zich kunnen onderscheiden (middels investeringen in o.a. biodiversiteit en/of bodemkwaliteit) en een duurzaam circulair proces opgebouwd kan worden waar elke schakel zijn verdiensten uit kan halen Het concept omtrent ‘de korte ketenaanpak’ moet een ander licht werpen op de huidige distributieketen waarbij onze eigen geproduceerde goederen 30.000 km reizen om alsnog bij de grote supermarkten in de schappen te belanden. “Dat is nu nog de gemakkelijke weg, omdat die keten klaarstaat”, aldus econome Barbara Baarsma. De Nederlandse distributieketen is namelijk ingericht op export. Als grootste agrarische producent en de twee-na-grootste agrarische exporteur ter wereld is dat ook niet gek, maar in een tijd als deze, zien we eens te meer het belang van onze eigen producenten en ondernemers. De schappen zijn leeg en dat heeft mede te maken met de huidige ingerichte distributieketen over pakweg 6 à 7 schakels.

Ook in het programma Op1 van woensdag 8 april duidt Mona Keijzer, staatssecretaris van Economisch Zaken, aan dat onze economie voor de toekomst nadrukkelijk in moet zetten op minder afhankelijkheid van import en daarmee meer ‘nationale’ productie. “Dat zijn de mooie dingen die uit deze Corona-crisis komen, dat we het toch allemaal dicht bij huis gaan zoeken en dat we dingen gaan produceren die we zelf nodig hebben”, vult tafelgast Mourad Oauri aan. Doelend op het feit dat de overheid en Nederlandse bedrijven op dit moment samenwerken om zoveel mogelijk mondkapjes en beademingsapparatuur in eigen land te produceren. Mona Keijzer: “We zijn dus in Nederland eindelijk zo ver dat we ons realiseren dat we zelf moeten gaan voorzien in alle middelen die nodig zijn.”

Een goede buur is beter dan een verre vriend

Het zou niet de manier van handelen moeten zijn, maar door deze vreselijke crisis worden we gedwongen om kritisch onze ketens onder de loep te nemen en is wellicht dit het momentum om daar verandering in te brengen. We moeten ons als ‘B.V. Nederland’ afvragen of er altijd noodzaak is om ons dusdanig afhankelijk te maken. Wellicht kunnen we ons zodanig organiseren dat we zelfvoorzienend zijn, of in ieder geval kunnen zijn. Hierbij kan niet voorbij gegaan worden aan een belangrijk aspect van het importeren van producten, namelijk de kostprijs. Willen we een mindere afhankelijkheid van het buitenland realiseren, dan zal in elk geval de inrichting van de eigen productie zo kostenefficiënt mogelijk moeten worden vormgegeven. Kostenefficiënte productie in combinatie met zo kort mogelijke ketens en wellicht verticale integratie binnen de bedrijfskolom kunnen de weg zijn naar een meer zelfvoorzienende maatschappij.

De ontwikkelingen van de laatste weken bevestigen eens te meer dat ‘een goede buur, beter is dan een verre vriend’.

Reactie plaatsen

Wij gebruiken cookies